JAFFA.
De rots van Jaffa, de Jaffa ree,
De haven en de wijde vloot.
De zon over de volle zee.
Het leven en de dood.
KERKHOF AAN ZEE.
Waar twee mannen met zijn lijk dragen,
Hij stierf zoo smal, hij valt niet zwaar.
Daar ruischt de zee, de winden vlagen Met het witte doodenkleed van de baar.
VERGEEFS.
Die door verlangen en herinnering Ontrust, om rust naar 't zeestrand ging.
Hij zag de knapen baden naakt en teer,
Hij zuchtte en hij vond al zijn onrust weer.
VERGAAN.
Waar is het woord, dat u gisteren koosde? Waar is, dien ik u gistren schonk, de wijn? Waar zijn de rozen, die bloeiden en bloosden? Vandaag duistere dorst en pijn.
VOORBIJ.
Ik dronk den wijn. Nooit zal ik weder vinden In de Eeuwigheid, wat één Oogenblik was Een glas met wijn, al was ik als de winden En als het licht zoo ras.
146