ZWOEGENDE MENSCHHEID.
Wat zult ge in donkre mijnen graven,
Naar weinig waard: zilver en goud.
Terwijl de zon zijn onbesomde gaven
Van goud en van zilver voor u geopend houdt.
DAG EN DAG.
Gij kunt toch niet uw dag tot den andren bewaren. Geniet dus uw dag zoo lang het uw dag nog is. Eens vallen over u de donkre jaren,
Zwaar van gemis.
STILLE WANDELING.
Wat de stille wandlaar in het zeelied hoort, Weet de wreede genieter niet.
Hij gaat door wind en water zacht bekoord,
En luistert naar zijn eigen lied.
RUST.
Een kleine boot ligt aan de ree.
Wie kent al zijne tochten?
Mijn dagen rusten aan de zee Van alles wat zij rustloos zochten.
EEN OOGENBLIK.
Langs eeuwige tochten is het gekomen,
Dit eenige oogenblik
Het valt weder uiteen in eeuwge stroomen:
De zee, de wind, de zon, de stad en ik.
145
Kwatrijnen. 10