EENZAAM.
De Zee groot en eenzaam.
Geen mensch is mij gemeenzaam.
O, leven tranendroef en tranenblind,
Waar ik vertroosting vind?
DE ZEE.
De 2ee nooit leeg van woelend water,
De lucht nooit leeg van wind.
Het lied eerst stil, dat later
Door de Eeuwigheid weder zijn tocht begint.
ZEEVAART.
Van zuiver zilver is de zon.
Het water van de zee valt ruig en zout.
Dit is de dag, die rijk begon En zijn beloften houdt.
ONRUST.
De zee rusteloos als mijn hart.
En mijn hart wijd als de zee.
De golven slaan. Al mijn geslagen smart Draag ik rustloos mee.
STRANDJONGENS.
Niets dan hunne naakte in het water.
En hunne kleeren op het strand.
Maar blijde en vrij valt hun geschater Waar de zee zijn golven brandt.
144