MACHTLOOS WOORD.
Geen woord zoo frisch als ochtenddauw.
Geen woord zoo heet als zomerzon.
Ik wilde, dat ik zeggen kon,
Wat ik gevoel aan liefde en trouw.
TWIJFEL.
Hoe weet ik, dat God alles heeft vergeven, Toen ik van morgen mijne druiven at.
Druiven van Gaza en de tros geheven,
Eén bitter oogenblik in 't zonlicht zat.
VRIENDSCHAP.
Gelijk het vuur het hout verlangt.
Gelijk het hout het vuur bemint.
Gelijk de rank de rots om vangt,
Als zee en wind.
SNELLE VAART.
De zwarte geiten langs de bergen loopen,
Waar mijn wagen de snelle wegen vaart.
Wat zal mijn hart dan nog haten en hopen?
De hemel is van God en ons is de Aard.
WAARDLOOZE WIJSHEID.
Wat mij van alle wijze lessen scheidde?
De zee, de wind, de stoute Joodsche Knaap. Laat wijsheid wijsheid zijn. Wij dwaalden beiden Waar de wind en de zee slaan over rots en kaap.
143