ZORGELOOS.
God schiep den vogel, die den morgen Begroet vóór dat het morgen is.
Wat zal ik dan nog wroegend zorgen Om ieder machteloos gemis?
DROOM.
Vannacht droomde ik rijkelijk van Parijs. Een zee van huizen, heemlen hoog, de Seine: De Nerval, Baudelaire, Paul Verlaine.
Ik waakte. Hier. Mijn kamer wreed en grijs.
DE KUDDE.
De kudde gaat. De bonte lammren loopen Met zachte pootjes over 't zachte zand.
De hemel geeft zich godlijk open Aan het hemelsche land.
AKKO.
Hier is geen herinnering en verlangen.
Wat valt ons dan het zalig dwalen licht. Langs haven, door gewelven en door gangen Waar ieder rustig zijne taak verricht.
ZIEK.
Adils roode rozen geuren.
Ik lees, wat ik vroeger schreef.
De dag vergaat. Wat zal ik treuren?
Ik ging, waar het leven mij dreef.
142