HERFST
De dagen van de Herfst zijn weergekomen.
En alle schaduwen zijn diep en teer.
Een dunne mist doekt om de dorre boomen. Twee vogels zingen: keer en tegenkeer.
EEN DANSER.
Er gloort een gloed in zijne donkere oogen,
Er breekt een zalig lachen om zijn mond.
Wat heugenis heeft hem de ziel bewogen,
Tot hij de maat dier rijke droomen vond?
NAGIB DANST.
Hij danst zijn sierlijke Syrische dansen.
Zijn voeten vinden maat en rijke rijm.
Zijn mond lacht zalig open. De oogen glansen. Geeft hij ons of verbergt hij zijn geheim?
J. TROMPELDOR.
Hij streed nog, fel gewond aan teerste leden. Zoolang tot zijne stem en zijn hart brak.
Ik boek de laatste woorden, die hij sprak:
„Die strijdend stierf, wenscht zijn Volk vrede.”
JEUGD (REHOBOTH).
Ik heb géleefd: nu zie ik rustig leven,
Die veel verlangen en dien weinig heugt.
En ik bedenk: „Langs zoo veel vreugd gedreven, Vind ik het meest in 't rustig schouwen vreugd”.
141