LENTE.
Menschen: bouwt uw welgestemde instrumenten. God bouwt het geluid van den waterval.
Bouwt uwe paleizen, hij spant de tenten Van zijnen hemel over berg en dal.
OVERAL WATER.
Het water woelt zich door de donkre steenen, Dat langs de rotsen naar de vlakte schiet.
Hier wordt al mijn rustloos lachen en weenen Rustig in breede banen van het Lied.
WATER EN ZON.
Stroomt water of stroomt zonlicht langs de 't Is alles één; water en zilverzon. [rotsen? Het streept. Het schuimt. Gebroken golven Over de volle bekkens van de bron. [klotsen.
MIJN MEESTERS.
Geef mij voor mijn lied geen andere Meesters, Dan het water, dat van de rotsen valt.
En de wind spelend met boom en en heesters. De vogel, die in 't blauw verloren schalt.
RIJKDOM.
Wij rijden weer het lied van 't water tegen:
De wadi valt, gelijk de wadi viel.
Maar wij rijden nu rijker met Gods zegen En onze blijde vriendschap in de Ziel.
140