WATERWERELD BIJ BITTIR.
Het water zingt. De zonnestilte luistert.
Het water lacht en de echo lacht het na.
Geen wolk, die Gods heilgen hemel verduistert, Terwijl ik met hem nieuwe wegen ga.
TERUGTOCHT.
Ik schreide, toen wij langzaam huiswaarts reden Hij zeide: „Aan allen, die gij thans gedenkt, Geve Allah zijne zegen en zijn vrede,
Gelijk Hij thans ons Zijnen Vrede schenkt.
GELUK.
Wij rijden peinzend over 't paard gebogen.
Wij zien op. En wat zien we? Elkanders lach. Gods hemel in elkanders open oogen.
En over de aarde wijd den blijden Dag.
STROOMEND WATER.
Het water breekt zich uit de diepe bron.
Het ziet het licht en juicht blijde verrast. Straks stijgt het weder zalig naar de zon Dat nu van de rots naar beneden plast.
GELUKKIG GEVANGEN.
Het lied van het water loopt met ons mede.
De Wadi daalt brekend over de rots.
De zon straalt hoog, wij dalen naar beneden Gevangen in den eeuwgen vrede Gods.
139