HEBRON.
Want dezen avond is God groot in mij.
Waar zijn al mijne smarten, al mijn zonden?
Hij heeft de banden van mijn hart ontbonden, En voert mijn wegen vrij.
EEN DANSER.
Neen: niet de hemel. Niet Gods bloeiende aarde. Ik denk aan u. Ik denk aan u alleen.
Alles wat mij jaren bezwaarde,
Danst gij verruklijk heen.
TROOST.
Wees niet angstig voor wat wij saam voldreven, God en wij beiden weten het alleen.
En Hij vergeeft, wat geen menschen vergeven. En vaagt als wolken al uw zonden heen.
ALS WIJ WEDER UITRIJDEN.
't Water zal zingend stroomen door de beken, En schaatrend klateren bij eiken val.
Wij rijden. Veel genieten. Weinig spreken.
En weten, dat alles versterven zal.
HET GOEDE LEVEN.
O, dit is een van Gods geliefde dagen,
Dat al de kleine dingen eeuwig zijn.
De warme stal.... paarden .... schapen, die En lammeren van gistren wol en fijn. [dragen,
138