WANHOOP.
De druiven dorren.
Uw mond verdort.
Wijl vreugde en morren Tot stof verwordt.
KOL NIDRE.
Avond: ik keer van de vroomste gebeden.
Daar fluit Machmoed, de stalknaap, diep en
[zacht.
Het bloed beeft schaamteloos door mijne leden. Meer dan immer vrees ik den Grooten Nacht.
BRUILOFT TE SILOUAN.
Van uit de diepe dalen Klinkt het wijd bruiloftslied.
De Maan en de sterren stralen Mijn hijgend hart rust niet.
KLAAGMUUR.
Daar wieken zwaluwen hun laatste slagen,
De sterren scharen zich in het klare uur.
De wind verstilt zijn avondvlagen.
Groot en Eeuwig de Muur.
ANATOTH.
Want toen Jeremia een Joodsche jongen was, Onschuldig als ik eenmaal ben geweest.
Trok zóó de grauwe dauw zwaar over 't gras. Rijpten de vijgen zóó als voor een feest.
134