EMIR ABDALLAH.
Er is het zwijgen, dat des Oostens is,
En dat ons volstrekt niet verlegen maakt.
Het leven is eene geheimenis
Terwijl de nacht het tentenkamp genaakt.
VLOEK.
Het rijke leven,
Het rijke lied.
Door vloek gedreven Baat alles niet.
VERBODEN GENOT.
Niet zoeter zijn de volle zomervruchten,
Dan de verboden vrucht van uwen mond.
Laat hen, die straf van aarde en hemel duchten. Wij genieten elk uur, wat ieder uur ons zond.
LENTEDAL.
Een winter, zóó zacht als een lente,
Wij rijden op onze Arabische paarden.
Emir Abdallah spant zijn kamp met tenten.
In het dal van Schuni, schoon als een gaarde.
ZOMERHITTE.
Mijn mond is een gemeene, wreede wond.
En het Jordaandal is een hel.
De hitte slaat uit den hemel en uit den grond, En beult het lichaam fel.
Kwatrijnen. 9
129