VERLOREN HUIS.
Het huis, waarin ik vroeger woonde,
Gloeit in een zee van avondlicht.
Over ’t leven, dat mij nimmer verschoonde, Houd ik heden gericht.
DAGBOEK.
De tocht, dien ik voor jaren ging,
En toen van dag tot dag beschreef ....
Ik lees dat weer .... herinnering En pijn, zoolang ik leef.
OCHTEND.
O, de wind nog niet verbrand door de zon Waait door de wijdte van den vroegen morgen De Nacht vergaat en zóó gaan al mijn zorgen. Het is nieuw wat heden begon.
NAGIB.
De Dood is héél dicht bij het Leven,
Nagib, die achter donkre dieven dreef.
Een valsche val: hij is in 't schot gebleven.
Zij schateren. En ik haat, dat ik leef.
ZIEL EN ZINNEN.
Het lichaam is de schat, die God aan de ziel
[heeft gegeven. De ziel is de schat, die God aan het lichaam
[schonk.
Geniet uw leven lang de lengte van uw leven, En weet, geen tweemaal drinkt uw mond dezelfde dronk.
128