DE WIND.
De wind is gelukkiger dan de menschen,
Hij waait en is voorbij.
Hij kent geen wetten en geen wenschen.
Geen wanhoop en geen medelij.
AAN EEN GROOTEN DWAAS.
Gij zegt: „Ieder leven ontstaat uit leven”
Maar zeg: „Waar is het Leven uit ontstaan ?” Wat is de Dood? Wat God? Wat is zijn Streven Wat is al mijn bestaan?
HEETE DAG.
Heden vind ik Jeruzalem vervelend.
Al mijn vreugde en mijn spanning zijn voorbij. Vaal stuift het Land. Het gras broeit grauw en De dofheid van een moede Mei. [gelend.
G. MANNOURY.
„Men kan niet twisten over waarheid”
Hadt gij niet anders dan dit woord geleerd,
Ik zoude u prijzen om uw klaarheid Als men een Meester eert.
JEMENIETEN-D ANS.
Die danst: een lange, zwarte, wreede jongen.
De Duivel? Maar wie durft hem dat te vragen. De wereld spot in zijne bonte sprongen. Vrouwen gillen. Koperen bekkenslagen.
127