DE BAZUIN.
In 't Ziekenhuis wordt de Bazuin gedreven.
Zij die sterven gaan, hooren het Geluid.
Dit is de zekerheid van mijn wankelend leven: „Dat God niet veel beduidt."
MORGENRIT.
Dat ik God heden haat, het is Zijn Wil.
Dat ik Hem liefheb, het is Zijn Genade.
In de morgenmist geurt het Land zóó stil.
De paarden gaan peinzend hun smalle paden.
NUTTELOOS.
Wat zal ik heden de gebeden zeggen?
Morgen is de dag van vandaag voorbij.
Vromen en vrijen zal men eender leggen Waar de Olijfberg helt naar de stadsvallei.
LEVENSWONDER.
Dit is het wonder van het Leven:
Zoo moede en gekweld kan een hart niet zijn, Of het wil zich toch aan den Dood niet geven, Maar leven voort in alle pijn.
DE PREDIKER.
Hij Predikt: „Ijdelheid der Ijdelheden"
Was hij niet ijdel, die 't schreef en bewaarde? Dichter: laat af van liedren en gebeden.
Geen lied is eeuwiger dan uw wentelende aarde.
126