RUSTELOOS.
Ik trok door dorpen en door steden, Langs menig tuchtelooze tocht.
Vergeefs strek ik tot rust mijn leden. Niets gevonden van alles wat gezocht
GEDREVEN.
Van de zee waait de koele wind.
Ik denk aan mijn Moeders dood.
De avond valt en morgen begint.
Een nieuwe dag zijn nieuwe nood.
DE ZEE.
Onrust, die zijn rust niet vindt.
Zon en water, zand en wind.
Hart, dat zonder beter baat Rusteloos als de zee slaat.
VRIENDSCHAP.
Ik heb u lief als mijn mond de granaten. Ik heb u lief, gelijk mijn Lied zijn maten En de ruisching van zijn rijmen bemint. Ik heb u lief als de roos zon en wind.
DANK.
Alles wordt schoon, waarmede ik u gelijk. De wijn, de rozen, de rijpe granaten.
Zoo maakt ge mijn bewogen leven rijk, En van liederen nooit verlaten.
122