AVOND.
De mijmrende lente-avond liefkoost mij.
De Tijd vliegt als de zwaluwen voorbij.
De lucht heeft alle kleuren zacht en teer.
’t Verloren oogenblik vindt niemand weer.
ZIEKENHUIS.
Een bleek raam. De kleine, gekleurde luchten, Die langzaam duisteren over het Huis.
Wij liggen ziek. De verre stadsgeruchten Verdwalen hier tot één geruisch.
NAAR HUIS.
Het water zingt: de zonnestilte luistert.
Het water schatert, de echo schatert na.
De dag vervalt en de eerste schaduw duistert Terwijl ik met Adil naar huis toe ga.
BUITEN.
Het water lacht, als het de zon begroet.
Het water schatert, dat van de rots breekt. Hier is het leven klein, maar het is goed, Terwijl Adil Arabisch met mij spreekt.
BUITEN DE BUI.
Wij liggen hier héél zonnig en héél lui Te luistren naar het water, dat verschiet.
Ver boven Bittir breekt een barre bui.
Maar de regen bereikt de bergen niet.
119