NA DEN REGEN.
De beken stroomen in raadsels van zon En zon-schaduw door de diepe valleien.
Velden van bloemen rond de rijke bron.
En vol de lucht van bronzen bijen.
WATER VAN BITTÏR.
Het water stuwt zijn warrelend gewemel Langs de hagen en de gebloemde hekken. Tusschen de aarde en den schitterenden hemel Voert het zijn fluistrende gesprekken.
ELIAS-BRON.
Het water windt zijn wervels door het woud Van pisang-boomen rond de zware bron.
Wij schuilen onder ’t schaduw-geurend hout Voor 't felle zoeken van de middagzon.
ADIL.
Hij sliep in de bonte weelde van bloemen. Wat stoorde zijne droom? Een vreemde geur? Of de donkere bijen, die zwaar zoemen?
Of booze herinnering van een kleur.
TE PAARD IN DE BERGEN.
De lente luwt. De winter is geleden.
Wat doodgebroken scheen, breekt levend uit. Wij stijgen: alles bont en groen beneden.
En boven ons speelt een vogel met zijn gefluit.
118