DOODSANGST.
Mijn hart rust niet. Hoe zal mijn lied dan rusten? Benijdt mij niet, gij, die mijn liedren leest.
Wat bleef over van luide en stille lusten?
Een leven, dat leven en sterven vreest.
ANGSTIG HART.
Hart, dat niet rusten kunt, als gij kondt rusten, Gij zoudt niet willen rusten in uw angst. Gedreven door uw luide lusten.
Gehavend door uw wroeging wrangst.
VOLLE LENTE.
De bloemen langs de hellingen.
De bloemen in de dellingen.
Het water, dat diep valt door de valleien.
In de lucht de donkre bijen.
TE PAARD.
Hij vroeg: „Hoe laat is het, sinds dat wij reden?” En ik: „Hier is alles geluk, geen tijd”
Hij lachte en ik lachte één lach met hem mede. O, God, dank voor uw heerlijkheid.
DE RUST.
Hij sliep in het veld van bloemen gelegen,
Die nooit rustiger en veiliger sliep.
Ik waakte, machtloos moe van alle wegen,
En wachtte lang vóór ik hem wakker riep.
n 7