GENOT.
Mijn lijf is niets dan één siddrend geheugen. Mijn hart is niets dan één bloedend gemis.
Laat ons den wijn met volle dronken teugen. Totdat onze dag leeggedronken is.
KLAAGMUUR.
Ik leg mijn handen vol herinneringen Tegen de steen en van den eeuwgen Muur.
Dat hun heilige heugenis verdringe Het heilloos heugen van zoo menig uur.
TROOST.
Over ons verlangen spannen de dagen.
Over onze daden spant koele nacht.
Laat dagen drijven en de nachten jagen Wat harten wonnen, neemt geen macht.
HET TROUWE LIED.
En is de wijnkruik leeggeschonken?
Zijn onze handen van liefkozing leeg?
Zijn onze oogen van liefde volgedronken?
Is er één dag, dat mijn Lied voor u zweeg?
KEERENDE HERDER.
Zijn schapen gaan zoo licht. Geen donkre vragen Benarren hem het hunkerend gemoed.
Hij gaat des morgens vroeg. En als de dagen Dalen, keert hij door de avondgloed.
116