DOODSANGST.
Laat ik u kussen en u nogmaals kussen.
Geeft ge uw liefde voor mijne liefde weder,
Wat baat het ons: eens zal de doodwind blusschen Uw vlam en mijn vlam, en wij zinken neder.
VRIJHEID.
Hij zeide: „God is God.” En onze paarden Rijden wij nog heden trotsch over 't Land.
Hoe korte tijd, dan dekt ons de donkere aarde. Geniet uw licht, zoolang uw vreugde brandt.
ONRUST.
Adil is moede en hij legt zich te slapen.
Ik ben moe, die rustloos niet slapen kan.
Hij is te El-Kuds de stoutste van de Knapen.
Ik ben een angstig-rustloos man.
BERUSTING.
Hij, die de winden spreidt, verspreidt de wegen.. Die den wind houdt, behoudt het Al bijeen. Klaag niet om mij achter winden en regen.
Elk Lot drijft elk man langs zijn wegen geen.
DE WIJN.
De diepe wijn, die ons de lippen kust ....
Moe van de rit dronken we uit ééne beker.
Is ’t Oogenblik minder schoon en min zeker Omdat Tijd noch Eeuwigheid rust?
114