NACHTRIT.
Ik vroeg Adil, waaraan hij rijdend dacht.
Hij zeide: „Aan Allah” in een eenvoud groot. God voert ons heden veilig door den nacht,
En morgen veilig naar den Dood.
SCHEMERING.
Schemer: er zijn geen zonschaduwen meer,
En de maan-schaduw is nog niet begonnen.
Wij rijden in één heerlijkheid bezonnen, Langzaam de dalende bergwegen neer.
De VROMEN.
Zij jagen achter Gods blijde geboden,
Gelijk wij jagen achter weelde en winst.
Zij weten niets van al hijgende nooden,
Hun is genieten minst.
WEEMOED.
Ach: al die twijfel. Al dat zeker weten.
Die wroeging door de dagen en den nacht.
Kon ik twijfel en zekerheid vergeten.
Een Arabier zijn, die eet, drinkt en lacht.
VREUGD EN WROEGING.
Ontvlucht uw schaduw en ik zal ontvluchten, Mijn wroeging, de schaduw van onze vreugd. Verwijt mij niets, breek ons de roode vruchten En schenk wijn, die wroegend verheugt.
Kwatrijnen. 8
113