DOOR HET GEVAAR.
Hij zeide, toen wij door het gevaar reden,
„Wat zijt gij voor u-zelf meer dan gij zijt?
En wat voor mij min dan den Vriend wiens vrede Mij meer dan 't eigen hart gelegen leit.”
VERZUIMD.
Wat baat herinnering van zoo veel prachten? Het feestgetij blonk. De wijn heeft geschuimd. Maar ik herdenk door dagen en door nachten Dat ik ééns één oogenblik heb verzuimd.
GODS STEM.
God sprak: „Leg dan heden al uw ellende, Gelijk mijn hemel al zijn wolken, af.
Ik, die u in uwe moederschoot kende,
Geleid u zeker naar uw graf.”
VRIENDSCHAP.
Want wat is leed met u minder dan vreugd?
En wat is vreugd zonder u meer dan lijden? Mijn hart is rustig ofschoon veel mij heugt, Terwijl wij van Mootzah naar Jeruzalem rijden.
NAAR HUIS.
Hij zeide: „Allah heeft ons wel lief vandaag” In één geluk van zon en licht gevangen.
De paarden stonden aan een rozenhaag Gebonden en mijn hart bond één verlangen.
112