GEBED.
Mijn gebed. Hij zeide: „Wat zijn gebeden, Waarin gij needrig nadert tot uw God”
Laat Hij tot u komen met Zijnen Vrede,
Wiens Eeuwigheid met al ons lijden spot.”
DE TIJD.
De regendagen noch de zonnedagen,
Keeren uit de Eeuwigheid, waarin zij gaan. Niets is ons lachen en niets is ons klagen.
En wat kan de Eeuwigheid weerstaan?
VERZUIMDE VREUGD.
Als aarde en hemel al schat voor u ruimden, Wanneer het Lot u jeugd en leven liet,
De Nacht, dien ge in uw nuchternis verzuimde, Hervindt ge in alle Eeuwigheid niet.
OUDE SHEIKH.
Zoo wijd als zijne blikken gaan zijn landen,
Zij dragen rijker dan één streek hun vracht. Dertig kinderen uit zijn ingewanden.
Hij ziet zijn leven. Het was schoon. Het is volbracht.
ONTWAKEN.
Ik zeide: „Het is ochtend. Zijt gij wakker?”
En hij: „Ik slaap niet, als gij wakker zijt”
Het huis open. Ziet Aboe Fares akker Bouwt bontgeblokt zijn rijpe heerlijkheid.
III