VERGEEFSCH GEBED.
De volle Maan en de drie sterren stralen,
Wij spreken bij de Muur 't Avondgebed.
Straks zal ik met Adil Effendi dwalen,
Waar geene vroomheid mijn ziel redt.
NACHTRIT.
In maneschaduw zijn wij weggereden.
Wij keeren in ’t schaduwloos zonnelicht.
Eén nacht. Hoe zwak vallen alle gebeden.
Hoe gaarne ben ik voor mijn lot gezwicht.
HET OOGENBLIK.
Elk Oogenblik, uit de Eeuwigheid geboren, Breekt oogenbliklijk in eeuwigheden uiteen.
't Is alles niets. Gewonnen of verloren.
Ijdel zijn liedren en geween.
HERFST.
De wind waait heden. Morgen zal het regenen. Een weemoed zwelt in mijn verlaten hart.
Adil: God moog uw lot weer dan ’t mijn zegenen, ’t Is goed: voor u de vreugd, voor mij de smart.
VREUGDE.
Gelijk de wijn vervult den gouden beker,
Zóó vervult uwe heugenis mijn ziel.
Hoe was mijn lied onzuiver en onzeker Tot uwe lach over zijn woorden viel.
IIO