FARIED.
Hij zeide: „Ik zal vannacht naar Hebron rijden" Een Arabier op een Arabisch paard.
Hij zal nooit weten, wat tusschen ons beiden Mijn hart verheugt en wreed bezwaart.
EERSTE GRANATEN.
Zijn eigen handen breken (is er puiker?)
Onze granaatappels voor 't mild ontbijt.
Met rozenwater en gebroken suiker,
Eén heerlijkheid.
NIEUWJAARSDAG.
Ontzenuwd treed ik den Grooten Dag tegen. God en ik-zelven weten het alleen.
Wat brengt het Jaar: dood of schatrijke zegen? Aanvaard. In God is alles Eén.
VRIENDSCHAP.
Ik zeide: „Ik telde de uren tot den avond"
Hij zeide: „Ik heb de minuten geteld"
O, hart van vreugde en van wroeging gehavend En telkens toch door nieuwe vreugd gekweld.
GELUK.
Wanneer wij rijden door de nachtlandschappen, Rondom de Heiige Stad Jeruzalem.
Als onze paarden door de nachtdauw stappen, Wat hoor ik dan in zijne blijde stem?
109