VLOED.
Sporen van snelle voeten over ’t strand.
De lange dagweg van een visschersknaap.
De vloed zwelt aan, zijn schuimgebroken rand Neemt de kust van kaap tot kaap.
DE VERLEIDER.
Door welke diepe dalen trok ik heen,
Wier duistre bloei mijn oog hunkerend zag, Voor ik hier te Jeruzalem alleen Genade vond in zijne milde lach.
ANTWOORD.
Hij schreef: „Oovral is één Volk en één God. Keer weder tot uw Stad en tot uw Landschap” Hoe kan ik keeren? Hier is mijn verwantschap. Eenheid? Ja. Maar in elk verscheiden Lot.
ONRUST.
Eeuwigheid: wat is Jaffa? Wat is Napels?
Wat is de eene, wat is de andere Kust?
De zee. De zon. De huizen hoog in stapels.
En overal mijn hart ontrust.
VERLEIDING.
Drie sterren stralen: het wordt duister Boven de Stad Jeruzalem.
Avondgebed. In 't windgefluister Hoor ik toch uwe stem.
107