TWEESTRIJD.
Over de zee de wijde zon.
Te Jeruzalem, onze Tempelmuur.
O, dat mijne ziel eens genieten kon Een enkel zinlijk uur.
SCHEEPSBOUWMEESTER.
Hij sprak: „Zijt gij de Dichter van de Zee?”
Ik ben de trotsche bouwer van dien stoomer, Die hecht-gebouwd, als uw Lied, door den zomer Zijn rijke daden zoekt langs elke ree.”
ARABISCHE JONGENS.
Wat hebben zij dan hun naakte en hun kleeren, De wijdte van de zee en van het strand.
Terwijl vreugd en wroeging mijn hart verteren, En rustloos drijven door elk land.
HET EILAND.
Tusschen den hemel en de lucht,
Een wit zeil als een witte ster.
En als een grijze wolkenvlucht,
Het eiland vaag en ver.
STOUTE ZWEMMERS.
Zij dansen op de maten van de golven.
En zoeken blij het matelooze ruim.
Waar zij onder ’t zonnig water bedolven Verdwijnen achter brekend schuim.
106