DE REGEN.
Hoe ruischt de regen over de zee blijde.
En hangt zijn schoonheid wonderteer en wijd. Verheugd, dat hij door wisselende tijden,
Weer keert tot de zee en zijn eeuwigheid.
AVOND.
Ik heb mijn dag in haat en hoop gesleten.
Hij versleet zijn dag met wind, zon en zee.
Zie de avond daalt. Wat zal de Eeuwigheid Van het verschil tusschen ons twee? [weten
JEUGDLIED.
Geef mij nog eens het lied der eerste jaren.
Mijn jongenslied, mijn zwak, maar zuiver lied. Niet wreed, niet wroegend, niet vol van ge-Maar zalig-zingend, anders niet. [varen.
BONT LEVEN.
Wat heb ik hier mijn zinnen vol genoten.
De zee brandt brekend en de helle zon Slaat wierook uit de boomen en de loten. Achter het duin een diepe, koele, bron.
TERUGKEER.
De zee, zon en wind ieder uur,
Hebben mijne zinnen verzadigd.
Nu weer, door 't lot niet begenadigd
Keer ik naar Jeruzalem, naar den Tempelmuur.
105