WANHOOP.
Jeruzalem: moet ik U dan verlaten,
Gij, die de pracht waart van het Joodsche Lied. Ik dwaalde doelloos door uw dorre straten En vond uw vroomheid niet.
EEN BADER.
En zoo zal ik de wereld steeds onthouden,
Als ik hem dit eeuwig oogenblik zag.
De zee wijduit, waarboven hemel blauwde,
Gij stralend gaand door den hemelschen dag.
ARABISCHE KNAPEN.
Zij koelen in de zee hun heete leden.
En branden zich in ’t zonnig zand weer heet. En de Dag is in de Eeuwigheid vergleden Eer één van Dag en van Eeuwigheid weet.
BERUSTING.
En gelijk God zijn Eeuwigheid verdeelt, Aanvaard ik, die veel leed en nu berust.
Eén de Knaap, die zijn Dag in zee verspeelt. En één de Dichter zwaar van zijnen Dag bewust.
INZICHT.
Mijn jeugd, mijn blijde jaren, mijn worstlende ’t Ligt alles heden open als één Dag. [jaren, Langs hoeveel nood ben ik gevaren,
Voor ik mij zei ven als een ander zag.
104