EINDE.
Genoeg, dat ik een Dichter was.
Laat nu mijn jongren dichters zijn.
Ik luister gaarne. Mijne jeugd ging ras En ieder lied eindigt in pijn.
NIEUWE LIEDEREN.
O, dacht ik, dat het Lied mij had verlaten,
God schenkt den Dichter macht op zijnen Tijd. De rijke rijmen en de losse maten Brengen mij dezen Nacht weer heerlijkheid.
DE WIJN.
Wie kent den wijn?
Wie kent het bloed?
Laat mij maar zijn
Eenzaam, dien wijn het hart verzoet.
BEDOUIENEN.
Daar staan zij naakt in hunne bruine broosheid. Van het hoofd tot de voeten rank gebouwd.
Zij weten niet van schaamte en schaamteloos-Terwijl mijn Lied hen valsch beschouwt, [heid,
AVOND AAN ZEE.
De zee van Jaffa breekt zijn breede reven.
De zon in ’t Westen daalt zijn laatste tocht. Weer voel ik de macht van mijn Lied herleven. God heeft mij blij bezocht.
103