RUST.
Ik heb van aangezicht tot aangezicht.
Met mijnen Dood gesproken.
Een teder licht als Jeruzalemsch avondlicht,
Is in mijn ziel ontloken.
KUDDEN.
De zwarte geiten en de witte schapen,
Liggen loom op ’t zonnige veld.
Onder schaduw schuilen de herdersknapen Wien ieder uur zijn wonderen vertelt.
AVOND.
Hoe zal mijn Lied anders dan Gods Woord
[spreken?
Hij zendt den koelen avondwind tot mij.
Mijn lippen sidderen, mijn tranen breken. Gebonden aan God ben ik vrij.
HEIMWEE.
Ach: alles wat ik nog verlang,
Is moe van drift en moe van drang,
Moede van winst en moe van derven In Holland leven en in Holland sterven.
DWALEN.
Doelloos verdwalen, waar het maandal straalt. En waar de vijgen van Katamon rijpen.
De dauw de rozen drenkt en dan begrijpen Dat nooit een mensch doelloos verdwaalt
102