HONGEREND KIND.
Een jongen schreit zóó smartelijk en zuiver.
Hij kent honger en niet één andre smart.
Ik luister met hartstochtelijken huiver.
Wat is het leeg in mijn moe hart.
HARTSTOCHT.
Laat mij niet slapen in een bed van rozen.
Maar laat mij liggen aan uw borst.
Breek mij geen vruchten, die bersten en blozen. Drenk met uw droeven wijn mijn dorst.
AMELAND.
Een duinendal. Een duinenkling.
Een overvloed van Friesche kindren.
Wat jaren machtloos maken of vermindren:
Dit blijft een zalige herinnering.
KLACHT.
Gij klaagt: „Alles ontneemt mij de Eeuwigheid" Ook meer dan de Eeuwigheid u heeft gegeven? Gevangen klaagt ge in den ban van den Tijd. Klaag niet. Zelfs uw klacht kan buiten den tijd
[niet leven.
OOGENBLIK.
De Eeuwigheid voegt alles eeuwig bijeen.
En slaat het oogenbliklijk uit elkander.
Dit Oogenblik het is voor eeuwig heen.
En nooit herhaalt een oogenblik een ander.
101