AVOND.
Wat ben ik vandaag mild en blij geweest.
Van ochtendrood tot avondrood.
En ik verlang, als naar een innig feest, Vannacht naar mijnen Dood.
DE DOOD.
Ik heb hem zóó gehaat. En ziet: zóó teder Komt hij tot mij in mijnen milden slaap.
Hij buigt zich over mijne stede henen,
Een glimlachende Knaap.
TROOST.
Klaag niet, dat uw dagen vergaan Tot de machtloosheid van uw jaren.
Wanneer de ouderen niet gestorven waren Hoe zouden wij in ’t Leven staan?
HET LEVEN.
Want van uw ouderen heb ik genomen Wat mijne hand u dagelijks mild geeft.
Geniet uw daden rijk en uwe droomen Zoolang uw hart mij nog beleeft.
HET ANGSTIG HART.
Hart, dat niet voor de onrust des levens vreest, Wat zult gij vreezen voor de rust des Doods? Zijt gij niet lang genoeg benard geweest,
Bij wrange drank en bittre bete broods.
ioo