GELATEN.
Wat wilt ge steeds naar goed of beter vragen? Ik vraag niet meer. Ik zwerf en ik aanvaard. Want één Dood telt ons beider levensdagen En beiden rusten we onder de aard.
UW SCHATTEN.
De wegen van uw leven over de Aarde.
De Dood meet u niet meer dan een aardschgraf. Wijs mij den Doode dan, die iets bewaarde. Van alle schatten, die hem 't Leven gaf.
MACHTLOOS LIED.
Waar zal ik vluchten voor het Leven?
Waar zal ik vluchten voor den Dood?
O, Lied, wat kunt gij machtger geven Dan een rozenhut voor stormende nood.
DOODSANGST.
Ik zag Hem over mij gebogen.
Hij vroeg: „wat vreest gij wreed voor mij?”
O, Dood: hoe schoon waren uw donkere oogen. Voor hoe lang is mijn angst voorbij?
OCHTENDROOD.
De Dag is voor het Leven.
De Nacht is voor den Dood.
O, wonderteder beven Vandaag van 't ochtendrood.
99