HET EINDE.
Bloeien honderd wegen open.
Voor de voeten van een Knaap.
Alles niets. Langs haat en hopen Gaat elke weg naar één Slaap.
DWANG.
Gij hebt uw zoete zinlijkheid bedwongen,
En in die dwang te teerder slechts getoond. Wat schaamt gij u? Ik heb het lied gezongen. Dat zinnelijk de vrome ziel beloont.
BERUSTING.
Gij plukt der bloemen en vruchten genot.
Maar als uw handen branden in de doornen Zoudt gij dan tegen uw God willen toornen? Dwaas: schiep Hij niet het lichte en 't donker lot.
MACHTLOOS LEVEN.
Leven, dat mij tegen den Dood beschermt, Maar ook, machteloos, naar den dood toe dringt. Wat baat het Lied, waardoor mijn wanhoop Des avonds sterft, die 's morgens zingt, [kermt ?
AANVAARDING.
Zeg niet: „Mijn rust is beter dan uw zwerven” Ik zeg niet, dat mijn zwerven beter is.
Gij blijft, omdat gij niet uw rust kunt derven. Ik verdwaal, omdat ik meest onrust mis.
98