JERUZALEM.
Mijn hart is hier van smarten toegeschroefd. Vraag mij dan niet het Joodsche Lied te zingen. Hoe kwam ik blijde en werd ik hier bedroefd Door tuchtloos drijven en eerzuchtig dringen.
FREDERIK VAN EEDEN.
Ik was een Knaap, een zoeker en een taster, Die tot u kwam, vandaag voor twintig jaar.
Ik werd een man. Daaglijks dieper en vaster Voel ik uw vriendschap, trouw en wonderbaar.
EEUWIG OOGENBLIK.
Hemel. Wind. De sterren. Adil en Ik.
De Eeuwigheid heeft eeuwig voor mij bewaard In zijn eeuwig verband dit Oogenblik.
Maar 't valt uiteen in eeuwgen vaart.
LEEGTE.
Het is zoo koud, zoo eeuwig om ons heen.
Alles wat ons verbindt, het zijn maar woorden. Maarsoms alsof de Eeuwigheid ons verhoorde Bindt ons een blik, een lach, een droef geween.
DE BEEK.
Het paarlend water, welke eeuwige tochten Ging het door aardscbe en door hemelsche streek. Totdat mijn lippen zijn lafenis zochten Waar zon en schaduw spelen in de beek.
Kwatrijnen, y
97