GELATEN AVOND.
De schemerwind waait door mijn kamer.
Iedere dag laat mij eenzamer.
Hoe blijde ik Holland eens verliet,
Wat mijn hart verlangt, vond ik niet.
VERLOREN JEUGD.
Kon ik op wieken van den wind Als vogel vliegen naar de sterren.
Dat kan alleen een schuldloos kind.
En mijn jeugd is verre.
DE WIND.
De wind is van de sterren gekomen.
De wind zal weder naar de sterren gaan.
Hij kent hun verlangen, hun droomen.
Ik blijf met leeg verlangen staan.
NACHTWIND.
De wind ruischt als de donkre zee,
Die in zijn ban gevangen is.
Wat bindt en scheidt ons machtelooze twee: Genot, verlangen, gemis.
TERUGKEER.
O, weder geeft God mij zijne Bescherming.
Ik voel het in de sterren, in mijn hart.
Ook hier dwaalde ik ver buiten zijn Ontferming. En zocht de vreugde en vond de smart.
96