251
gewerkt op zijne geschiktheid, om zoowel de feitelijke strekking als het ongeoorloofde van het begane feit te beseffen, alsmede om ten aanzien daarvan zijn wil te bepalen.”
De deskundige Prof Dr. K. Heilbronner maakte Antwoord van
geen bezwaar deze vraag te beantwoorden. Hij achtteProf‘Hellbron' .. . . ner· aannemelijk, dat ״de verkeerde neiging zoodanig op
het wilsvermogen heeft gewerkt, dat dit vermogen werd
beperkt.” 1)
Op tweeërlei wijze kunnen moeilijkheden ontstaan Mogelijkheid tusschen de rechters en de zielkundige deskundigen.van moe111jkhe־
° ° den tusschen
Ten eerste: indien de rechter niet eene vraag heeft rechters en des-gesteld aangaande de toerekeningsvatbaarheid en dekundigen* geneeskundige daarover in zijn verslag toch een oordeel uitspreekt.
Ten tweede: indien de rechter wel een vraag heeft gesteld aangaande de toerekeningsvatbaarheid en de geneeskundige weigert daarover een oordeel uit te spreken.
Moeilijkheden van de eerste soort zullen niet talrijk zijn en niet zeer belangrijk. In de eerste plaats achten de meeste geneeskundigen de vraag naar de toerekenings-vatbaarheid niet tot hunne bevoegdheid te behooren.
Een aantal hunner zullen wellicht geene strafrechtelijke moeilijkheden maken, indien de vraag wordt gesteld, maar zij zullen zich ook niet ongevraagd over de toe-rekeningsvatbaarheidsvraag uitlaten. Een aantal genees-kundigen verstaan ״toerekenen” in den zin van ״zedelijk toerekenen”. Eene zedelijke toerekening achten zij on-redelijk zonder aanname eener wilsvrijheid. En vrijheid van den menschelijken wil, hoe dan ook verstaan,
1) ״Tijdschrift voor Strafrecht’’, Deel XX ״Rechtspraak en litteratuur” No. 98.
1