249
al of niet krankzinnig־ en behoorde de vraag, die men tot hem richt, ook niet anders te worden ingekleed.”
In de Nederlandsche Rechtspraak kan men twee De vraagstel-voorbeelden van vraagstelling onderscheiden. De meer hng1ndeNeder'
.. landsche Recht-
geneeskundige, waarbij alleen een vraag gesteld wordt spraak. aangaande gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke storing van de verstandelijke vermogens. Daartegenover de meer rechtskundige of wijsgeerige of zedekundige vraag of het feit den beklaagde behoort te worden toegerekend.
£> O
Als één voorbeeld uit vele geef ik de vragen, gelijk die gesteld zijn door de Rechtbank te Utrecht aan de deskundigen Dr. A. Th. Moll en H. Breukink. *) De vragen: 1. ״Of beklaagde lijdende is aan gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storingen zijner geestver-mogens en in het bijzonder of hij daaraan ook leed voor en tijdens het plegen van het hem bij dagvaarding ten laste gelegde feit en bij bevestigende beantwoording dezer vraag :
2. Of dit ten gevolge heeft, dat de aan bekl. ten laste gelegde en door hem bekende feiten hem kunnen worden toegerekend.״
Het antwoord: ״Resumeerende zijn wij tijdens ons Antwoordde!' onderzoek tot de overtuiging gekomen, dat bij X. nietgeneeskundlgen
. . . .. Moll en Breu-
bestaat een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoor-klnk. nis zijner verstandelijke vermogens in het algemeen en dat hij ook aan geene ziekelijke stoornis zijner geestvermogens geleden heeft voor en tijdens het plegen van het hem bij dagvaarding ten laste gelegde feit.”
En vervolgens: ״Wij meenen op grond van al deze beredeneeringen tot de conclusie te komen, dat X. het hem ten laste gelegde feit heeft begaan in een toestand van verminderde toerekenbaarheid.”