246
digen in ons strafproces, vrij in het vormen van een eigen oordeel, maar ik kan niet medegaan met hen, die hier eene medische en eene juridische zijde der quaestie zien en de taak der deskundigen beperken tot het verschaffen der feitelijke gegevens, waaruit de rechterlijke beslissing eerst moet volgen.” 1).
In ieder geval is hier van de zijde des rechters slechts sprake van een ״behooren”. De wet verplicht den rechter niet tot het vragen van voorlichting van deskundigen. Hij zou dus rechtens steeds kunnen vol-staan met het stellen van de eerste vraag.
Beantwoor- Eene andere vraag, die wij nog nader zullen be-
dingsphcht der schouwen is deze, of de zielkundige deskundigen rechtens
deskundigen. ....
verplicht zijn, beide vragen te beantwoorden.
De meening van prof. G. A. van Hamel verschilt van de meening van Mr. T. J. Noyon : ״Over het bestaan van de toerekeningsvatbaarheid zelve, een rechtskundig begrip, beslist, ook naar art. 37, de rechter”. Ofschoon men, den nadruk leggende op ״beslist” zou kunnen beweren, dat deze beide rechtsgeleerden van gelijke meening zijn 2). vraagstelling De meening van den rechter blijkt uit de vragen,
door den rech- ^ ן·· aan ^ deskundigen stelt. De rechter, die
ter aan de des- ׳־ °
kundigen. meent, dat de toerekenings-vraag niet eene vraag is voor den geneeskundige zal slechts de eerste van de door Mr. Noyon opgestelde vragen doen. De rechter, die meent, dat de toerekenings-vraag wel eene vraag is voor den geneeskundige deskundige, zal antwoord vragen op de beide door Mr. Noyon opgestelde vragen,
1
Men vergelijke de meening van Prof. Treub en Mr. Tak in hun ״Leerboek der gerechtelijke verloskunde” en van Prof. Simons in zijn ״Leerboek” aangehaald door Mr. Noyon bldz. 170—171, noot.
2
״Inleiding enz.” § 36 ״Toerekeningsvatbaarheid” No. 13b.