238
en zoo niet, hoe kan daarin verbetering gebracht worden.” 1)
Eveneens, en zeer zuiver, door Mr. H. Verkouteren in zijn prae-advies voor de vergadering van de Neder-landsche Juristen-Vereeniging in 1911, naar aanleiding van de vraag: ״Zijn in de Wetgeving bijzondere maat-regelen te verordenen ten aanzien van personen, die strafbare feiten begaan en zich bevinden op de grens van krankzinnigheid en geestelijke gezondheid (z.g.n. grensgevallen, minderwaardigen, minder toerekenbaren). Stelling 4 van Mr. Verkouteren luidt: ״De wetgever moet uitdrukkelijk onderscheid maken tusschen ver-minderde en gedeeltelijke toerekeningsvatbaarheid.” 2) Onderscheid tusschen ״partielle Unzurechnungsfähig-keit” en ״verminderte Zurechnungsfähigkeit” wordt ge-maakt door den geneeskundige Dr. J. Berse in een opstel : ״Zur Frage der partiellen Unzurechnungsfähigkeit.” 3) Samenvallen Echter : het verschil tusschen beide toestanden kan van beide toe-jn werkelijkheid niet zoo stellig■ worden gemaakt.
ctanr1f»n in Apfl *׳ Oc
Want bij denzelfden persoon vindt men soms eene ge-deeltelijke toerekeningsvatbaarheid en tevens een ver-minderde toerekeningsvatbaarheid. Zoodat beide wel te onderscheiden, doch niet te scheiden zijn.
persoon.
Anders oordeelt de geneeskundige Dr. Leroy in een rapport over ״La responsabilité des hystériques” samengesteld voor het ״Congrès francais des Médécins
1
2
״Handelingen״ bldz. 73. Men zie ook Stelling 2, en bldz. 49.