229
Wanneer wij een persoon ״minder toerekeningsvat- Bedoeling der baar” noemen dan bedoelen wij, dat deze persoon van ultd™kkltng e eene geestelijke gesteldheid is, die zijne daden minder Lningsvatbare slecht of minder gevaarlijk maakt dan dezelfdedader״· daden begaan door personen, wier geestelijke gesteld-heid niet in die mate afwijkt van de geestelijke ge-steldheid van den gemiddelden mensch. Ten aanzien van deze personen is de daadwerkelijke moeilijkheid deze, dat zij dikwijls maatschappelijk gevaarlijker zijn, naarmate hunne zedelijke schuld minder is. 1)
De uitdrukkingen ״verminderde toerekenbaarheid” z!n dezer uit-en ״verminderde toerekeningsvatbaarheid” worden in d1ukkm£en· hunne Bedoeling op eene niet al te onvoldoende wijze gebruikt en begrepen. 2) Toch zijn zij logisch niet juist en waren dus beter nooit gebruikt. Immers : wij zagen bij de uiteenlegging van het begrip ״toerekenen” dat
noemd in artikel 37, verzachtende omstandigheden kunnen voeren tot ontoerekenbaarheid of verminderde toerekenbaarheid van de daad. Men zie de juiste behandeling bij Prof. Heymans in het opstel: ״Over strafrechtelijke toerekening”, bldz. 478.
1) Erfelijke belasting wordt veelal, ook in de rechtspraak, aan-gemerkt als grond voor ״verminderde toerekening.’' Is dit redelijk ? Wij namen aan, dat het karakter het voorwerp is van de zedelijke beoordeeling. En het karakter: ״de wijze, waarop het individu op gegeven motieven reageert, is zeker voor het grootste deel, in zijne essentieele trekken vermoedelijk wel geheel, een product van he-rediteit.” (Prof. G. Heymans: ״Uitwassen der crimineele anthro-pologie”, bldz. 66.) Het verschijnsel der toerekening in het algemeen en van de zedelijke toerekening in het bijzonder, bevat vele on-redelijke bestanddeelen, gelijk het menschelijk zieleleven vele tegenstrijdigheden bevat. Men zie Prof. Cannegieter ״Het mysterie der tegenstellingen in ’s menschen zieleleven” in ״Teyler’s Theo-logisch Tijdschrift” van 1905, bldz. 362.
2) Hoofdartikel in W. 8391.