218
duidelijk is, dat de opvatting־ der strafrechtelijke als een speciaal geval van zedelijke toerekening geheel en al strookt met onze strafwet, die naar de juiste op-merking van Prof. Heymans, op het rechtsbewustzijn des volks, dat zich niet anders denken kan, is ■gebouwd.” Bezwaar tegen Dat de gelijkstelling van strafrechtelijk oordeel met de gelijkstelling 2edelijk oordeel voor het geldend Nederlandsch recht
van zedelijke en 1 ... ״··
strafrechtelijke niet juist is, en dat deze gelijkstelling ook niet in de toerekening, bedoeling heeft gelegen in den strafwetgever, hebben wij reeds eenigermate uiteengezet bij de bespreking van de twee opstellen van Prof. Heymans in ״De Gids” en in het ״Tijdschrift voor Strafrecht”. Ons bezwaar tegen de gelijkstelling van zedelijk oordeel met straf-rechtelijk oordeel berust niet op het feit, dat niet alles strafbaar is g־esteld, wat onzedelijk wordt geacht 1). Doch ons bezwaar is, dat zooveel strafbaar is, dat volstrekt niet heenwijst naar een overwicht van onze-delijke neigingen bij den dader. Men denke aan de overtredingen. Aan de zoogenaamde objectieve delicts-bestanddeelen en aan de objectief strafverzwarende g־evolgen 2). Strijdig met de opvatting van Prof. Heymans is ook de lagere strafbepaling voor strafbare poging en medeplichtigheid. De medeplichtige als zoodanig is zedelijk niet minder slecht dan de dader 3).
1
Jacob Israël de Haan ״Het Recht op Slechtheid” in ״De Beweging” van Juni 1915.
2
In hoeverre het ongeschreven beginsel der onrechtmatigheid deze objectieve bestanddeelen en gevolgen subjectiveert, kan thans buiten beschouwing blijven.