217
Doch waarom de gelijkheid tusschen ״strafbaarheid” Bezwaar tegen en ״zedelijke toerekening” slechts bijzonder uitgedruktdeze opstell1ng* in eene wetsbepaling, die spreekt over: ״gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing der verstandelijke vermogens?” Waarom niet eene algemeene wetsbe-paling: ״Niet strafbaar is hij, die een feit begaat, waarvan niet blijkt, dat het uit een bij hem bestaand overwicht van onzedelijke neigingen is voortgekomen.”
Een dergelijke wetsbepaling zou minstens de eisch Boos opzet. van ״boos opzet” invoeren, gelijk deze was gesteld 0ntwerP18°4· in artikel 3 en artikel 4, Hoofdstuk I, boek I, van het ontwerp van een lijfstraffelijk wetboek van het jaar 1804. Deze artikelen luiden: Art. 3 ״Misdaad wordt begaan door boos opzet of schuldig pligtsverzuim.”
Art. 4 ״Boos opzet is hier de wil om te misdoen.”
Prof. Heijmans zou nog verder moeten gaan dan deze eisch van boos opzet. Immers : indien een zedelijk hoogstaand man overtuigd was van het onzedelijke van eene wetsbepaling en krachtens zijne zedelijke over-tuiging deze wetsbepaling overtrad, zou hij volgens de beginselen van Prof. Heijmans niet kunnen worden veroordeeld.
Dat naar geldend Nederlandsch recht de strafrech-telijke toerekening een vorm is van de zedelijke toe-rekening, is mede de meening van Prof. Tummers, waar hij schrijft *): ״Feitelijk worden door de menschen alleen zedelijk goede of slechte handelingen toegerekend. Toerekenbaarheid is dan ook steeds zedelijke toereken-baarheid”. En: ״ook de strafrechtelijke toerekenbaar-heid, al ontkennen het velen, is een speciaal geval van zedelijke toerekenbaarheid”. En voorts: ״genoegzaam