216
den rechter, dat schuld een bestanddeel is van de burgerrechtelijke toerekening.
Artikel 37 en Wellicht ook beantwoordt de volgende lezing aan degehjksteiimgbecloeimo-en van den wetgever met artikel דן:
van de straf· _ .....
rechtelijke met ״ Niet strafbaar is hij, die een feit begaat, dat hem de zedehjketoe- weg־ens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing zijner verstandelijke vermogens zedelijk niet behoort te worden toegerekend.” In dit geval zou de wetgever, min of meer bewust, in artikel 37 de gelijkheid hebben uitgedrukt van de strafrechtelijke en de zedelijke toe-rekening. τ)
Volgens Prof. Dr. G. Heijmans heeft de wetgever inderdaad deze gelijkheid willen uitdrukken : ״Door zich te plaatsen op het aangewezen standpunt zullen, vervolgens medici en juristen in overeenstemming blijven met het rechtsbewustzijn des volks, dat zich geen toerekening kan denken zonder zedelijke schuld, en met letter en geest van de wet, die op dat rechts-bewustzijn is gebouwd.” 1) opstelling van Vandaar, dat Prof. Heijmans de volgende opstelling art. 37 volgens van artikel 37 voorstelt : ״Niet strafbaar is hij, die
Prof. Heijmans. r . 11111·
een ieit begaat, waarvan, op grond van de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing zijner verstande-lijke vermogens niet blijkt, dat het uit een bij hem bestaand overwicht van onzedelijke neigingen is voort-gekomen.” 3)
1
״Over strafrechtelijke toerekening” in het ״Tijdschrift voor Strafrecht” Deel XX bldz. 485.