202
algemeene Nederlandsch een plaats zal veroveren.”
Wij hebben in het eerste hoofdstuk uiteengezet, dat wij over de waarde van het algemeen taalgebruik af-wijkend denken en dat wij meenen, dat de bewerkers van een Woordenboek meer moeten doen dan beschrijven.
Mr. a. a. de Een tweede maal heeft Mr. De Pinto het juiste PmtotegenMr. woorc| bruik verdedigd tegen Mr. J. Kruseman. Deze
J. Kruseman. ° c> o J ^
had geschreven: τ) ״Toerekenbaarheid. Sommige au-teurs schrijven toerekeningsvatbaarheid, ontoereke-ningsvatbaar en ontoerekeningsvatbaarheid. Consequent is het zeker, om, evenals bij vatbaar, onhoorbaar enz. ook toerekenbaar te gebruiken in den zin van ״niet kunnende worden toegerekend” en het dus voor het feit te gebruiken, niet voor den dader. Daarmede is echter ,.ontoerekeningsvatbaarheid” nog niet verdedig-baar. Dr. C. C. Uhlenbeck, toenmalig medewerker aan het Ned. Woordenboek, schrijft mij : ״Overeenkomstig de meening van Dr. A. Kluijver kan ontoerekenbaar wel in den zin van ״unzurechnungsfähig” dus van per-sonen gebruikt worden: ,,niet verantwoordelijk kun-nende gesteld worden voor iets, dat men heeft mis-dreven”. Ontoerekeningsvatbaar is een woord van te zonderling uiterlijk en formatie om aanbeveling te verdienen. Het taalgebruik heeft zich trouwens reeds voor ontoerekenbaar gedecideerd”׳. Het is m. i. on-twijfelbaar (moet men ook zeggen onbetwijfelbaar of on-twijfelingsvatbaar) dat, nu de taalgeleerden zulk eene practische houding aannemen de juristen hen hierin wel kunnen volgen” 2).
Tegen een dergelijk onlogisch en onvast spraakge-
1) ״Strafrecht en Alcoholisme” in het ״Tijdschrift voor Straf-recht” Deel VII, bldz. 2 rioot
2) Het Groote Woordenboek vermeldt ״onbetwijfelbaar” en ״on-