201
niet beter van tijd tot tijd een woord aan onze Duitscbe naburen en stamverwanten te ontleenen, dan zuiver Nederlandsche woorden in verkeerden, men noeme het dan vergoelijkend oneigenlijken zin te bezigen.”
In W. 6176 vinden wij een antwoord aan Mr. De verdediging
Ριντό door Dr. A. Kluyver, belangrijk vooral om het-van Prof*tKluy'
0 J ver. Taak van
geen de schrijver zegt ove־ de taak van de samen-een woorden-
stellers van een Woordenboek en over de waarde van boek
het spraakgebruik: ״Het woordenboek moet eene be-
schrijving geven van het gebruik der levende taal, en
voor zoover ik weet is in het artikel Ontoerekenbaar
mijne voorstelling met dat gebruik niet in strijd. Elk
zal gaarne toestemmen, dat het, strikt genomen, onjuist
is iemand, wien iets niet toegerekend kan worden,
ontoerekenbaar te noemen. Indien deze onjuistheid was
begaan slechts door één of meer bepaalde personen
of wel binnen een bepaalden kring van menschen, dan
zou men haar als een fout kunnen afkeuren ; maar,
bedrieg ik mii niet, dan is in het geval van ontoe-
rekenbaar de onjuistheid algemeen gebruikelijk in de
werkelijk levende taal. Daarmede wordt zij een der
vele voorbeelden van overdrachtelijke beteekenis, *)
die de schrijver van een woordenboek heeft te eer־
biedigen. Met belangstelling verneem ik, dat de juristen
met de minder nauwkeurige opvatting van ontoereken-
baar geen genoegen nemen ; wellicht zal hun voor-
beeld van invloed zijn op de taal van het ge-
heele volk. Doch ik waag er aan te twijfelen, of
een woord als ontoerekeningsvatbaarheid ooit in het
o