197
״toerekeningsvatbaar” is niet geheel logisch, daar het woord de zelfstandigheid bepaalt, die meewerkend voorwerp is van de handeling ״toerekenen”.
Het verschil tusschen ״toerekenbaar” en ״toereke- Juist en on-nings vatbaar״ wordt door rechtskundige en zedekun-jmst wü0rdgc
-,· τ·· ! •1-711 bruik-
dige schrijvers soms wel soms niet gemaakt, melden wordt het stellig en zuiver gehandhaafd.
Prof. G. A. van Hamel maakt het verschil gelijk volgt: ״Voor ״toerekeningsvatbaar״ wordt veelal de kortere uitdrukking ״toerekenbaar״ gebruikt. Eigenlijk is toerekenbaar, imputabel, de daad, toerekeningsvat-baar, responsabel, de persoon.” 1) Doch het verschil wordt in het gebruik door Prof. Van Hamel niet steeds stellig en zuiver gehandhaafd.
Prof. Simons maakt het verschil gelijk volgt. ״Naast de toerekeningsvatbaarheid van den dader, welke een vereischte is bij alle strafbare feiten, wordt nu verder voor de strafrechtelijke verantwoordelijkheid gevorderd de toerekenbaarheid van de handeling en in de gevallen, waarin de wet het verwezenlijken van een bepaald ge-volg verbiedt, van dat gevolg, aan den dader2 .״)Wan־ neer echter Prof. Simons niet bedoelt den nadruk te leggen op de tegenstelling tusschen de toerekeningsvatbaarheid van den dader en de toerekenbaarheid van de daad,
dan gaat hij met het dagelijksche spraakgebruik mede
en noemt hij den dader ״toerekenbaar” en ״ontoereken-baar״. De afdeeling waarin Prof. Simons artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht bespreekt, heet ״Gron-den van ontoerekenbaarheid.28 §) ״).
Een zoo voortreffelijk onderzoeker als Prof. De Bussy acht het taalkundig juiste woordgebruik onjuist en het
1) ״Inleiding enz.” § 36 ״Toerekeningsvatbaarheid״
2) ״Leerboek enz.״ Deel I § 133.
1
2