196
Samenvatting. Üit het voorgaande volgt, dat het onderwerp en het lijdend voorwerp in eene nauwere betrekking tot de werking worden gedacht dan het oorzakelijk voor-werp en het meewerkend voorwerp. Het oorzakelijk voorwerp is van eene bepaling dikwijls niet of nauwe-lijks te onderscheiden.
Het meewer- Het meewerkend voorwerp is dikwijls in den meest-kend voorwerp letterlijken zin van het woord verder verwijderd dan
als ״Kasus des J J
entfernteren het lijdende, bijvoorbeeld bij het datieve werkwoord
Objekts.” kjj uitnemendheid: ״geven”: ״Hij gaf den bedelaar
een stuiver. Terecht noemt Wundt den Dativ ״Kasus des entfernteren Objekts” 1).
De woordvorming bevestigt dit. Men lette op een drie-persoons-werkwoord als ״aanbieden”. Voor het onder-werp hebben wij één afgeleid woord : de aanbieder. Voor het lijdend voorwerp hebben wij één afgeleid woord : het aangebodene. Voor het medewerkend voorwerp hebben wij niet één afgeleid woord. Wij moeten om-schrijven: ״degene, aan wien iets aangeboden wordt”.
Toepassing op De aard van de vorming van werkwoordelijke bij-de woorden voeglijke naamwoorden door middel van achtervoeg־
ên ״toereke- seis brengt mede, dat de bijvoeglijke naamwoorden
nïngsvatbaar.” welke gevormd zijn door middel van het achtervoeg-
sei ״baar” als regel het lijdend voorwerp van de hande-ling bepalen, bij uitzondering het onderwerp, maar niet het meewerkend voorwerp. Daaruit volgt, dat wij de daad ״toerekenbaar” of ״ontoerekenbaar” moeten noe-men en niet den dader, gelijk in de dagelijksche spreektaal geschiedt. Voor den dader behooren de woorden ״toerekeningsvatbaar” en ״ontoerekenings-vatbaar” te worden gebruikt. En zelfs de vorming van
1) Deel II, bldz. 95. Voor andere plaatsen raadplege men het Register op ״Dativ.”