101
„Van de praktische wetenschappen zucht de rechtswetenschap wel het meest onder den dwang der taal. De natuur- en scheikundige neemt zijn proeven, de geneesheer zet het mes in de wonde, allen, als zij dat willen, onafhankelijk van hunne wetenschap en hare taal. Maar de rechtsgeleerde stuit steeds *) en overal op de taal: zij spreekt tot hem uit de wet, zij vervolgt hem bij elk onderzoek, zij is voor hem ook het eenige middel tot handelen. Zoo is de taal voor den jurist tot een voorwerp van ver-eering geworden: hare woorden, in het bijzonder die, welke zij voor de rechtswetenschap meer of min reserveert, zijn voor hem als het ware de toovermiddelen, die tot de vereisehte oordeelvorming brengen.
Welnu, de rechtsbegrippen zijn niet anders dan die voor de rechtswetenschap gereserveerde of althans bij herhaling door haar gebruikte woorden. En toch zijn ze geworden tot de beheerschers van het recht: het zijn de cipiers der door de taal voor de rechts-wetenschap bestemde gevangenis, welke, mirabile dictu, door de gevangenen als góden worden vereerd.2) Vooral die begrippen, welke in de wet zelve waren opgenomen, werden object van bijzondere waardeering: zij werden immers